Verstoord evenwicht

Het natuurlijke evenwicht tussen vorm en functie, de voorkeuren van bewegen en de vorm van het lichaam kan verstoord raken. Hierdoor kunnen er allerlei klachten ontstaan. Bewegen gaat dan niet meer optimaal (passend bij de vorm van het lichaam). Dit evenwicht kan op vele manieren verstoord worden: door een ongeluk (auto-ongeval, verzwikken van een enkel, val van de trap), door verandering van werkhouding, ongewone arbeid, knellende kleding, door psychische factoren, enz.

Het lichaam is steeds bezig zich aan te passen aan de veranderende belasting die het aangeboden krijgt.

Deze verandering kan bijvoorbeeld zitten in het krijgen van een andere baan. Waarbij de oude baan voornamelijk een zittende functie was, biedt de nieuwe een veel meer staande functie. Wanneer zo’n verandering niet geleidelijk wordt gebracht waardoor het lichaam gewend (getraind) kan raken, kan dit klachten opleveren in het houdings- en bewegingsapparaat. Heupen, knieën en enkel worden op een andere manier en meer belast. Hetzelfde geldt voor de lage rug. Functies van spiergroepen zijn niet meer toereikend omdat ze niet de juiste lengte bezitten voor de nieuwe houding. De spiergroepen aan de achterkant van het been (hamstrings) hebben opeens te maken met een gestrekte heup en knie en worden dan al snel “te kort” genoemd. De onderrug is gestrekt waardoor spieren daar “te lang” lijken. Dit kan leiden tot spierpijn, en op langere duur tot gewrichtsklachten.

Wanneer we bijvoorbeeld door het dragen van nieuwe schoenen met een hogere hak gedwongen worden om de voet anders te bewegen, verandert onze manier van lopen. Die andere manier van lopen gaat ook gepaard met een verandering van bewegingen in knieën, heupen, het bekken, de wervelkolom, en uiteindelijk in het gehele lichaam. Zeker als deze situatie lange tijd duurt, kan het bestaande evenwicht tussen de vorm van het lichaam en de bewegingsvoorkeur worden verstoord en kunnen er op allerlei plaatsen in het lichaam klachten ontstaan. In het dagelijkse leven kunnen nog andere voorbeelden worden genoemd.

Wanneer iemand pijn in zijn nek heeft, zal hij proberen de pijn zoveel mogelijk te ontwijken door de nek minder te bewegen. Om de meeste dingen toch te kunnen blijven doen, zal er anders bewogen worden in de rest van de wervelkolom en in andere gewrichten. Als het lichaam zich voldoende kan aanpassen aan de nieuwe situatie dan zullen er geen klachten optreden. Wanneer deze persoon zou gaan hardlopen (wat veel beweging van de nek vraagt) dan kunnen de gemaakte aanpassingen wel eens tekort schieten. Er kunnen klachten ontstaan in de nek, maar ook op andere plaatsen, zoals bijvoorbeeld een peesontsteking in de schouder, of een spierscheur in het bovenbeen (omdat ook de knie gedwongen wordt om anders te gaan bewegen). De plaats waar de klacht zit (in de schouder of in het bovenbeen) zegt dan niets over de oorzaak van de klachten. Het behandelen van slechts de schouder of het bovenbeen zal de klachten niet altijd wegnemen. Het totale evenwicht van het lichaam zal hersteld moeten worden om de oorzaak van de klachten op te heffen. Omdat iedereen een eigen manier van bewegen heeft, wordt de therapie afgestemd op de bewegingen, zoals het lichaam die gewend is te maken.